Ga naar de inhoud

Regenwater infiltratie berekenen: zo doe je het stap voor stap

  • door

Om regenwater infiltratie te berekenen, heb je drie basisgegevens nodig: het dakoppervlak dat je aansluit (in m²), het eventuele verharde oppervlak zoals bestrating of tuin (in m²), en de hoeveelheid regenwater in millimeters die je wilt verwerken. Met die drie cijfers kun je bepalen hoe groot een infiltratievoorziening, zoals infiltratiekratten, moet zijn.

De berekening is concreter dan de meeste mensen denken. Een millimeter regen op één vierkante meter dak staat gelijk aan één liter water. Dat is het vertrekpunt van elke infiltratieberekening.

De basisformule voor regenwater infiltratie berekenen

De kern van de berekening is simpel:

  • Benodigde opvangcapaciteit (in liters) = oppervlak (m²) x neerslag (mm) x afvoercoëfficiënt

De afvoercoëfficiënt hangt af van het type oppervlak. Voor een dakoppervlak gebruik je doorgaans een coëfficiënt van 0,9, omdat een klein deel van het regenwater verdampt of achterblijft op het dak. Voor klinkerbestrating is dat ongeveer 0,6 tot 0,7, en voor een grindverharding of halfopen bestrating ligt dat lager, rond 0,3 tot 0,5.

Een rekenvoorbeeld: je hebt 60 m² dak en wilt een bui van 20 mm opvangen. Dan geldt: 60 x 20 x 0,9 = 1.080 liter. Je hebt dus een infiltratievoorziening nodig met een capaciteit van minimaal 1.080 liter voor alleen het dak. Voeg je nog 30 m² klinkerpad toe met een coëfficiënt van 0,6, dan komt er 30 x 20 x 0,6 = 360 liter bij, samen 1.440 liter.

Welke neerslagwaarde gebruik je als rekenbasis?

In Nederland wordt voor de berekening van infiltratievoorzieningen vaak gerekend met een maatgevende bui. Gemeenten en waterschappen hanteren hiervoor verschillende normen, maar een veelgebruikte waarde is 20 tot 40 mm in korte tijd, afhankelijk van de lokale situatie en het gewenste beschermingsniveau. Informeer bij je gemeente of waterschap welke ontwerpbui zij hanteren voor jouw gebied, want dat verschilt per regio.

Wil je een eenvoudige vuistregel? Reken dan op 20 mm als startpunt voor een gemiddelde woning. Dat is een reële bui die in Nederland regelmatig voorkomt. Voor een robuustere oplossing, of als je op een locatie zit met veel verharding, kun je beter 40 mm aanhouden.

Hoe groot moeten de infiltratiekratten zijn?

Infiltratiekratten hebben een nuttig volume dat lager is dan hun buitenmaat, omdat de wanden en ribben ruimte innemen. Het nuttige vulpercentage ligt bij de meeste kratten op ongeveer 95%. Een krat met een buitenvolume van 300 liter heeft dus een opslagcapaciteit van circa 285 liter.

Ga je terug naar het eerdere voorbeeld van 1.440 liter, dan heb je bij 300-liter kratten: 1.440 / 285 = afgerond 6 kratten nodig. Houd ook rekening met de ruimte die je hebt om de kratten te graven. Kratten worden meestal 0,6 tot 1,0 meter diep ingegraven, met een laag filtergrond of geotextiel eromheen zodat het water goed in de bodem kan zakken.

Wat je ook moet controleren: de bodemgesteldheid

Een infiltratieberekening geeft je de juiste grootte van de voorziening, maar vertelt je nog niet of de bodem het water ook snel genoeg opneemt. De doorlatendheid van de bodem, uitgedrukt in de infiltratiesnelheid (m/dag of mm/uur), is bepalend voor hoe snel de kratten leeglopen tussen twee buien. In zandgrond is dat prima; in zware kleigrond kan infiltratie heel langzaam gaan of zelfs niet goed werken.

Twijfel je over de bodemgesteldheid? Doe een eenvoudige proef: graaf een gat van 30 cm diep, vul het met water en kijk hoe snel het wegzakt. Als een volle vulling binnen een uur grotendeels weg is, is de bodem geschikt. Zakt het water nauwelijks weg, dan is infiltratie op die plek geen goede oplossing en kun je beter nadenken over een retentiebassin met vertraagde afvoer.

Met de juiste oppervlaktecijfers, een realistische neerslagwaarde en een check op de bodemgesteldheid heb je alles in handen om de infiltratie van regenwater goed te berekenen en een passende voorziening te kiezen.